Gedachtegoed

EIGEN WETTEN
De kern van het gedachtegoed van Van der Laan is zijn overtuiging dat architectuur niet moet worden gezien als afgeleide van functionele, ideologische of sociale eisen; de ‘eigen wetten van de architectuur’ moeten worden gezocht in de architectuur zelf. Maar wat is de eigen aard van de architectuur? Kenmerkend voor zijn werkwijze is dat hij bij het zoeken naar een antwoord uitgaat van de directe ervaring. Hij verlaat zich niet op het gezag van de geschiedenis, van typologieën van gebouwen die de eeuwen doorstaan hebben bijvoorbeeld, laat staan van stijlen. Zoals architect Gerrit Rietveld in 1960 opmerkte in een bespreking van Van der Laans eerste boek – Le Nombre Plastique, later in het Nederlands verschenen als Het Plastisch Getal – gaat Van der Laan op geen enkele wijze uit van vooropgezette filosofische stellingen of verklaringen. Hij onderzoekt daarentegen nauwgezet welke handelingen we verrichten als we bouwen en welke primaire ervaringen we opdoen als we een wand oprichten en vervolgens in de onbegrensde ruimte van de natuur voor onszelf een ruimte afscheiden.



DRIE STAPPEN IN ONTWIKKELING

Grofweg gezegd stond bij zijn onderzoek eerst centraal hoe wij onderscheid maken in verhoudingen qua maatvoering. Met het Plastisch Getal ontwikkelde hij voor de driedimensionale bouwkunst wat voor de tweedimensionale schilderkunst de Gulden Snede is. Van der Laan ontwikkelde een matenstelsel dat past bij onze menselijke waarneming. Zoals muzieknoten op het gehoor door ons worden onderscheiden, zo kunnen wij verschillende volumes op het oog onderscheiden, mits ze voldoende verschillen in grootte. Van der Laan berekende het verhoudingsgetal dat daarvoor nodig is en noemde het ‘Het Plastische Getal’.
Vervolgens ging zijn aandacht vooral uit naar het maken van ruimtes. Dat staat centraal in zijn boek De Architectonische Ruimte (1977). Tenslotte, aan het eind van zijn leven, verdiepte hij zich in het karakter van vormen, wat hij ‘Thematismos’ noemde – hoe staven, blokken en platen ‘staan’, ‘liggen’ en ‘zitten’. Door daar mee te spelen kunnen ensembles gevormd worden – of het nu kleine sculpturen, gebouwen of stedenbouwkundige ensembles zijn.



NATUUR EN CULTUUR

Door al deze exercities van Van der Laan loopt als rode draad steeds de wisselwerking tussen natuur en cultuur. Tegen de onbeperktheid van de natuur steekt wat de mens maakt, de cultuur, af als beperkte maaksels. Wat de mens maakt is ook altijd een bewerking van de natuur. ‘Niets kunnen wij in zijn geheel zelf maken’, benadrukt Van der Laan, ‘want ons maken is steeds een vermaken van een natuurlijk gegeven.’ De natuur is de enige vaste grond voor ons, het enige objectieve gegeven voor al wat wij maken, en de altijd grotere achtergrond van die maaksels.
Dit ‘natuurlijk gegeven’ is uitgangspunt en inspiratiebron. We maken er iets van en dat maaksel inspireert op zijn beurt ons om verder te gaan. Om nieuwere en betere vormen (werktuigen, bouwsels, tekens) te ontwikkelen. Het is dus al doende dat wij leren, zoals het cliché niet voor niets luidt. Door die wisselwerking komt onze cultuur tot stand, en daarin vindt de natuur haar voltooiing. Of misschien kunnen we bij Van der Laan beter spreken van de schepping die met menselijke maaksels voltooid wordt. Cultuur en natuur vormen voor Van der Laan een twee-eenheid. Geen elkaar uitsluitende maar aanvullende tegendelen.



RUIMTE, VORM EN GROOTTE

Zoals hij het formuleerde in een lezing voor studenten in 1985: ‘De ruimte van de natuur heeft drie aspecten, waar wij geen raad mee weten. Ze is onbegrensd, ze is zonder vorm en ze is onmetelijk. Architectuur is niets anders dan hetgeen aan die ruimte toegevoegd moet worden om ze bewoonbaar, zichtbaar en meetbaar te maken. Bewoonbaar, dat wil zeggen begrensd met het oog op ons lichaam, zichtbaar met het oog op onze zintuigen en meetbaar met het oog op ons verstand.’
Architectuur is dus drievoudig van belang: vanwege de fysieke ervaring van ruimte, de zintuiglijke waarneming van vormen en als voedsel voor ons verstand verschaft architectuur inzicht in groottes en verhoudingen.
Het is duidelijk dat met deze benadering Van der Laan een totaal andere weg inslaat dan gebruikelijk. Gewoonlijk beschouwen we het maken van een dak boven ons hoofd als oervorm van ons bouwen. Voor Van der Laan was dat een te beperkt functionalistische invalshoek. Het oprichten van wanden om binnen- en buitenruimte te scheiden, hun vorm en grootte – dat zijn factoren van veel groter en primairder belang in Van der Laans gedachtegang.



ARCHITECTUUR DRAAGT BIJ AAN INZICHT

Om de overvloed van de naar menselijke begrippen onbeperkte natuur bevattelijk te maken cultiveert de mens een beperkt scala aan tonen in een toonladder, een beperkt gamma aan kleuren die met name genoemd worden, maten die een eigen naam hebben, en ruimtes die we op een bepaalde wijze kunnen karakteriseren.
Door deze cultivering verwerft de mens inzicht in de natuur en in zijn bestaan. Het is een kringloop: natuur is de noodzakelijke grondstof, anderzijds is het de cultuur die de natuur inzichtelijk, of misschien zelfs wel zichtbaar maakt. Van der Laan zag dat ‘zichtbaar maken’ niet alleen als taak van de wetenschap, maar op analoge wijze ook als taak van de kunst. Kunstenaars die alleen oog hebben voor innerlijke zielenroerselen als bron van inspiratie, noemde hij ‘zielig’. Hij beschouwde het uitleven van dergelijke introspectie als een doodlopende weg. Kunst kan alleen bloeien in een confrontatie met het ‘natuurlijk gegeven’. Zo ook architectuur.
In zijn boek De Architectonische Ruimte schrijft hij hierover: ‘De beperkte kringloop van de kunst geeft van de onbeperkte kringloop van de natuur een beeld dat voor ons bevattelijk is, zodat de natuur door de kunst wordt uitgedrukt.’



CELLA, HOF, DOMEIN

In onze ervaring maken wij dus onderscheid tussen diverse soorten ruimte. Kamers en zalen bijvoorbeeld, of tuinen en parken. Van der Laan ontwikkelde de typering cella (kamer, huis), hof en domein als opeenvolgende binnen- en buitenruimtes.
De vraag is vervolgens met welke middelen we dat onderscheid in ruimtes duidelijk kunnen maken. Wat meteen opvalt bij Van der Laans gebouwen is de massiviteit van hun wanden. Wanddikte en ruimte verhouden zich als 1:7. Met wanden die dunner zijn bestaat, zo betoogt Van der Laan, het gevaar dat de onderlinge nabijheid verdwijnt, terwijl bij dikkere wanden de ruimte zich voor gaat doen als een holte in een massief. ‘Het is geen toeval’, schrijft de Engelse architectuurcriticus en wetenschapper Richard Padovan in een beschouwing over Van der Laans werk (Architectuur en de noodzaak van begrenzingen, 1989), ‘dat Van der Laans gebouwen doen denken aan de architectuur van het oude Egypte,

Van der Laans gebouwen doen denken aan de architectuur van het oude Egypte, Sumerië of Griekenland – aan wat architectuurhistoricus Giedion beschreef als “de eerste ruimte-opvatting”, waarbij “ruimte tot stand komt door de wisselwerking tussen massieven”.’


BLOKKENDOZEN: ABACUS

Van der Laan heeft onderzocht welke wetmatigheid schuilgaat achter ons vermogen om dit onderscheid te maken. Deels op grond van empirische proeven, deels op basis van wiskundige logica ontdekte hij welke steeds terugkerende verhouding bestaat tussen opeenvolgende typen van grootte die wij kunnen onderscheiden. Die verhouding, uitgedrukt in een getal, noemde hij het Plastische Getal. En om met zijn bevindingen te experimenteren heeft Van der Laan in zijn leven drie ‘blokkendozen’ gemaakt. De eerste doos bevat ronde staafjes, in lengte oplopend volgens de verhouding van het Plastisch Getal. Dit hulpmiddel noemde Van der Laan ‘abacus’. Dient een telraam om te onderscheiden ‘hoe veel’ iets is, analoog dient Van der Laans abacus om te onderscheiden ‘hoe groot’ iets is.



BLOKKENDOZEN: MORPHOTHEEK

De tweede blokkendoos die hij maakte noemde hij ‘morphotheek’. Deze bevat rechthoekige vormen, waarvan niet alleen de lengte maar ook de breedte stelselmatig oploopt. Dat levert compacte blokjes op, waarvan lengte, breedte en hoogte vergelijkbaar van grootte zijn, maar ook lange staven waarvan de lengte van een veel groter type is dan de overige twee dimensies, en platen waarvan de hoogte veel kleiner is dat de andere twee dimensies. Je zou kunnen zeggen dat Van der Laan in deze fase van zijn onderzoek zich, meer dan bij de abacus bezighoudt met het ruimtelijk aspect van de architectuur.



BLOKKENDOZEN: THEMATISMOS

Een derde blokkendoos, die Van der Laan tegen het einde van zijn leven construeerde diende om het onderscheid te onderzoeken tussen liggende, zittende en staande vormen. Wat Van der Laan thematismos noemde. Net als bij de eerdere morphotheek variëren hoogte, lengte en breedte van deze vormen, maar anders dan bij de eerdere morphotheek is het volume van de blokken gelijk gehouden. Alsof je dus steeds dezelfde bal klei neemt en die tot verschillende vormen kneedt en ‘kantrecht’, zoals Van der Laan dat noemde. In deze fase van zijn ontwikkeling onderzocht Van der Laan niet meer enkel de grootte der dingen, ook niet zozeer verhoudingen van blokken, platen en staven op zich, maar de karakteristiek van vormen ten opzichte van elkaar. Het gaat om ensembles die, als sculptuur of als stad, afsteken tegen de ruimte van de omringende natuur. Van der Laan beschreef dit onderzoek in 1989 in het essay ‘Instruments of order’.



HARMONIE

Daarmee is de cirkel rond: wat de mens maakt wordt als het ware teruggegeven aan de natuur. En als het goed is, wordt bij dit alles niet steeds meer ruimte ingenomen, verbruikt, bezet, maar juist geschapen, zichtbaar, voelbaar en begrijpelijk gemaakt. Het gaat niet om de blokken, platen en staven, maar om de ruimte die ertussen en eromheen ontstaat, zoals muziek stilte hoorbaar maakt.
Geregeld haalde Van der Laan de Chinese fabel aan dat een keizer het rijk overdroeg aan zijn zoon met de goede raad om te zorgen dat het volk goed zou zingen en bouwen, want als door muziek de tijd goed geordend werd en door de architectuur de ruimte goed werd geordend, zouden de harten van de mensen in harmonie zijn en er geen onrust ontstaan.
De Engelse architectuurcriticus en wetenschapper Richard Padovan concludeerde in zijn essay ‘Architectuur en de noodzaak van begrenzingen’ (1989) dat in deze ruimere context van natuur en cultuur het belang is gelegen van Van der Laans theoretische werk. ‘Het is door de primaire daad van het bouwen, geduldig uitgaand van de universele en elementaire principes van alle architectuur, dat wij niet alleen kunnen leren bouwen en denken, maar ook leren hoe te leven.’

auteur: Tom Maas

Share by: