
Geboren in 1904, was Hans het negende kind van de architect Leonard van der Laan (1864 - 1942) die zich in 1891 in Leiden gevestigd had. Net als zijn oudere broer Jan koos hij er al jong voor architect te willen worden, iets wat hij uiteindelijk ook is geworden. Maar niet dan langs een unieke weg, een zoektocht die vele jaren heeft geduurd.
Nadat hij in 1921 zijn middelbare school had voltooid bracht hij noodgedwongen een jaar in het sanatorium door en vanaf 1922 was hij een jaar werkzaam op het bureau van zijn vader en zijn oudste broer Jan. In 1923 begon hij zijn studie aan de TH in Delft waar hij, vanwege een zelfstudie in de hogere wiskunde, enkele vrijstellingen kreeg wat hem de gelegenheid gaf veel te lezen. Vooral het boek Schoonheid in Samenleving van H.P. Berlage boeide hem zeer, maar deed hem ook beseffen dat het onderwijs in Delft veel aspecten van de bouwkunst onaangeroerd liet.
Met de komst van M.J. Granpré Molière als hoogleraar kwam daarin enigszins verandering. Deze had wel een diepergaande interesse in het vak en stelde zijn huis open voor de Bouwkundige Studiekring die Hans van der Laan met enkele medestudenten in het najaar van 1925 had opgericht om al discussierend te zoeken naar grondslagen van de architectuur. Hoewel deze studiekring inspirerend was, vond hij ook daar geen bevredigend antwoord op de vragen die hem bezighielden. En dat was reden om een eigen, heel individuele zoektocht aan te gaan.
In de zomer van 1926 verliet hij Delft om zich voor te bereiden op een bestaan als benedictijner monnik. In september 1927 vertrok hij naar de St. Paulusabdij in Oosterhout waar hij, na een studie filosofie en theologie in 1934 tot priester werd gewijd. Vanaf 1930 was hij werkzaam op het paramentenatelier, waardoor hij de meeste tijd voor de Tweede Wereldoorlog besteedde aan het vervaardigen van liturgische kleding en het ontwerpen van vaatwerk.
Als kloosterling bleef Hans van der Laan contacten houden met enkele studievrienden uit Delft. Het meeste contact hield hij echter met zijn jongere broer Nico die na hem ook bouwkunde was gaan studeren in Delft. Beide broers verdiepten zich op dezelfde wijze in de achtergronden van de architectuur en zij probeerden in de jaren dertig te komen tot een aantal uitgangspunten, dat zij, na het afstuderen van Nico in 1937, behoedzaam uitprobeerden bij de bouw van een nieuw gastenverblijf voor de St. Paulusabdij in Oosterhout. Hieruit vloeiden enkele studiebijeenkomsten voort, die in de toenmalige woonplaatsen van Jan en Nico werden gehouden en die tijdens de oorlog een aantal keren werden herhaald.
Na de oorlog kreeg Hans een bijzondere kans zijn ideeën verder te verdiepen. Aanleiding was dat zijn broer Nico gevraagd was om een bijdrage te leveren aan de Cursus Kerkelijke Architectuur in Noord-Brabant. Het was voor Nico vanzelfsprekend dat hij bij deze cursus ook zijn broer Hans betrok. Pas toen begon de werkelijke zoektocht naar de essentie van de architectuur. Hans van der Laan beschouwde het bouwen van een kerk als de ultieme opgave om een menselijk verblijf te maken. Met de voor hem kenmerkende helderheid stelde hij: ”God woont niet in een huis door mensenhanden gemaakt. Nee, het Domus Dei is een menselijke woning aan God toegewijd”.
Zo werd de Cursus Kerkelijke Architectuur voor Van der Laan de entourage voor een fundamenteel onderzoek naar het ware wezen van die menselijke woning. Na iedere les verscheen een gestencilde weergave van de lesstof en het is ronduit boeiend te zien hoe de Van der Laans – en Hans in het bijzonder – hun inzicht in de architectuur met het jaar verdiepten. In het begin waren het vooral vroegchristelijke Syrische kerken en in 1948 als eerste studieresultaat de bouw van de St. Jozefkapel in Helmond die de cursisten tot voorbeeld strekten. Dankzij publicaties in het Franstalige tijdschrift ‘L´Art d´Eglise’ tussen 1948 – 1960, geredigeerd door de monniken van de St. Andriesabdij bij Brugge (B.), kreeg het atelier voor kerkelijke kunst te Oosterhout en het toenmalige architectonisch werk van de Bossche School internationale aandacht. In 1956 werd Hans van der Laan gevraagd om een plan voor de uitbreiding van de Abdij St. Benedictusberg bij Vaals te ontwerpen, met name voor een kerk. In 1960 vond de eerste publicatie van de architectonische theorie van Hans van der Laan plaats ‘Le Nombre Plastique’, waarvan de Nederlandse uitgave in 1967 verscheen onder de titel ‘Het Plastische Getal’.
In 1968 verlegde Hans van der Laan zijn domicilie van Oosterhout naar Vaals. Ook hier werd hij benoemd tot koster, zodat zijn dagelijkse werk voortgang vond. In de communiteit St. Benedictusberg groeide dankzij de geslaagde bouw van de kerk een meer en meer vertrouwde houding ten opzichte van zijn werk. In zijn zoeken naar de juiste vorm om zijn theorie uit te dragen besloot hij van voren af aan te beginnen. Vanuit een bredere, noem het stedenbouwkundige optiek bouwde hij zijn theorie opnieuw op.
Binnen de Cursus ontvouwde hij van jaar tot jaar de uitwerking en verfijning van zijn theorie, tot hij in 1973 de idee kreeg dat hij greep had gekregen op het hele veld van de ruimtelijke vormgeving. De Cursus werd beëindigd en Van der Laan zette zich aan het schrijven van het boek ‘De Architectonische Ruimte’. Dat verscheen in 1977.
Na 1977 werd het even stil. Begrijpelijk, want qua inhoud en presentatie was ‘De Architectonische Ruimte’ hecht gecomponeerd en geheel afwijkend van alle bekende architectuurhandboeken. En zonder de charismatische, bezielende uitleg die Van der Laan tijdens de Cursus gaf, was de theorie in boekvorm ook wel erg compact en moeilijk te doorgronden. In 1979 echter werd het werk opgemerkt door buitenstaanders en sindsdien bleef het – in binnen- en buitenland – bijna voortdurend in de aandacht. Op verschillende plaatsen in Nederland en België vond de tentoonstelling ‘Architectuur, Modellen en Meubels’ plaats, waar de theorie van ‘De Architectonische Ruimte’ door middel van modellen aanschouwelijk werd voorgesteld. Van der Laan zelf putte daaruit de kracht verder te denken.
Hij wilde zijn werkmethodiek nu ook in meer algemene zin verantwoorden en vastleggen en in 1985 verscheen Het vormenspel der liturgie. Hij geeft daarin een heldere analyse van alle uitwendige vormen, waar wij in ons bestaan mee te maken hebben en leidt daar op systematische wijze de principes van de liturgische vormgeving uit af. Als apotheose plaatst hij dan de wereld van de geest tegen de achtergrond van het geheel van zichtbare vormen dat ons omringt. Tot slot besloot hij ook zijn architectuurtheorie op een aantal punten te verfijnen en publiceerde hij in 1989 zijn nieuwe inzichten op glasheldere wijze in het essay Instruments of order. Twee jaar later maakte de dood een einde aan een unieke intellectuele odyssee naar het diepste wezen van de architectuur.